Curriculum - site van de Vlaamse overheid


 

Lager onderwijs - Mens en maatschappij - Eindtermen

1. Mens

Ik en mezelf

De leerlingen
1.1* drukken in een niet-conflictgeladen situatie, eigen indrukken, gevoelens, verlangens, gedachten en waarderingen spontaan uit.
1.2 kunnen beschrijven wat ze voelen en wat ze doen in een concrete situatie en kunnen illustreren dat zowel hun gedrag als hun gevoelens situatiegebonden zijn
1.3* tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen, gebaseerd op kennis van het eigen kunnen.

Ik en de ander

De leerlingen
1.4 kunnen in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen, erover praten en aangeven dat deze op elkaar inspelen.
1.5* tonen de bereidheid zich te oefenen in omgangswijzen met anderen waarin ze minder sterk zijn.
1.6* tonen in een eenvoudige conflictsituatie in de omgang met leeftijdgenoten de bereidheid om te zoeken naar een geweldloze oplossing.

Ik en de anderen: in groep

De leerlingen
1.7* hebben aandacht voor de onuitgesproken regels die de interacties binnen een groep typeren en zijn bereid er rekening mee te houden.

2. Maatschappij

Sociaal-economische verschijnselen

De leerlingen
2.1 kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen en verschillend gewaardeerd worden.
2.2 kunnen met een zelf gekozen voorbeeld illustreren hoe de prijs van een product tot stand komt.
2.3 kunnen met een zelf gekozen voorbeeld het nut en het belang aangeven van een collectieve voorziening, waarvoor de overheid zorg draagt.
2.4 kunnen illustreren dat welvaart zowel over de verschillende landen in de wereld als in BelgiŽ ongelijk verdeeld is.
2.5* beseffen dat hun gedrag beÔnvloed wordt door de reclame en de media.
2.6* tonen zich bereid om actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderzoeken en te evalueren.

Sociaal-culturele verschijnselen

De leerlingen
2.7* kunnen er in hun omgang met leeftijdgenoten op discrete wijze rekening mee houden dat niet alle kinderen in hetzelfde type gezin wonen als zijzelf.
2.8 kunnen illustreren dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten.
2.9 kunnen voorbeelden geven van mogelijkheden die in onze samenleving bestaan voor de zorg en opvang van bejaarden en mensen met een handicap.
2.10 weten dat ze in het contact met mensen met een handicap attent moeten zijn voor de noden en verwachtingen van deze mensen.
2.11 kunnen illustreren dat arbeidsmigratie en het probleem van vluchtelingen een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van onze multiculturele samenleving.
2.12 zien in dat racisme vaak gebaseerd is op onbekendheid met en vrees voor het vreemde.

Politieke en juridische verschijnselen

De leerlingen
2.13 kunnen het belang illustreren van de fundamentele Rechten van de Mens en de Rechten van het Kind. Ze zien daarbij in dat de rechten en plichten complementair zijn.
2.14 kunnen op een eenvoudige wijze uitleggen dat verkiezingen een basiselement zijn van het democratisch functioneren van onze instellingen.
2.15 kunnen illustreren op welke wijze internationale organisaties ernaar streven om het welzijn en/of de vrede in de wereld te bevorderen.
2.16 weten dat Vlaanderen ťťn van de gemeenschappen is van het federale BelgiŽ en dat BelgiŽ deel uitmaakt van de Europese Unie. Ze weten daarbij dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen.
2.17 kennen de erkende symbolen van de Vlaamse Gemeenschap (met name feestdag, wapen, vlag, volkslied en memoriaal).

3. Tijd

Dagelijkse tijd

De leerlingen
3.1 kunnen de tijd die ze nodig hebben voor een voor hen bekende bezigheid realistisch schatten.
3.2 kunnen een kalender gebruiken om speciale gebeurtenissen uit eigen leven in de tijd te situeren en om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct te bepalen.
3.3 kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken.
3.4 kunnen tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren.

Historische tijd

De leerlingen
3.5 kunnen belangrijke gebeurtenissen of ervaringen uit eigen leven chronologisch ordenen en indelen in periodes. Ze kunnen daarvoor eigen indelingscriteria vinden.
3.6 kunnen hun afstamming aangeven tot twee generaties terug.
3.7 kennen de grote periodes uit de geschiedenis en ze kunnen duidelijke historische elementen in hun omgeving en belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken, situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdband.
3.8 kunnen aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis beÔnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert.
3.9* tonen belangstelling voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders.

Algemene vaardigheden tijd

De leerlingen
3.10* beseffen dat er een onderscheid is tussen een mening over een historisch feit en het feit zelf.


4. Ruimte

OriŽntatie- en kaartvaardigheid

De leerlingen
4.1 kunnen aan elkaar een te volgen weg tussen twee plaatsen in de eigen gemeente of stad beschrijven. Ze kunnen deze reisweg ook aanduiden op een plattegrond.
4.2 kunnen aan de hand van een kaart de afstand tussen twee plaatsen in Vlaanderen berekenen en beschrijven.

4.3

kunnen in een praktische toepassingssituatie op een gepaste kaart en op de globe evenaar, de polen, de oceanen , de landen van de Europese Unie en de werelddelen opzoeken en aanwijzen.
4.4 kunnen bij een oriŽntatie in de werkelijkheid de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) bepalen aan de hand van de zonnestand of een kompas.
4.5 kunnen begrippen zoals wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, gemeenschap, land en continent in een juiste context gebruiken.
4.6 hebben een voorstelling van de kaart van Vlaanderen en van BelgiŽ zodat ze in een praktische toepassingssituatie de gemeenschappen, de provincies en de provinciehoofdplaatsen kunnen aanwijzen.

Ruimtebeleving

De leerlingen
4.7 kunnen aan de hand van een concreet voorbeeld het verschil tussen beleefde en absolute afstand illustreren.
4.8 kunnen suggesties geven voor het inrichten van hun eigen omgeving.

Ruimtelijke ordening/bepaaldheid

De leerlingen
4.9 kunnen in de realiteit op een gepaste kaart een landelijke, stedelijke, toeristische en industriŽle omgeving herkennen en van elkaar onderscheiden.
4.10 kunnen hun eigen streek en twee andere streken in BelgiŽ situeren op een kaart en de relatie beschrijven tussen de omgeving en aspecten van het dagelijks leven van de mensen.
4.11 kunnen aspecten van het dagelijks leven in een land van een ander cultuurgebied vergelijken met het eigen leven.

Algemene vaardigheden ruimte

De leerlingen
4.12 kunnen in een landschap gericht waarnemen en ze kunnen op een eenvoudige wijze onderzoeken waarom het er zo uitziet.
4.13 kunnen een atlas raadplegen en kunnen enkele soorten kaarten hanteren gebruik makend van de legende, windrichting en schaal.

Verkeer en mobiliteit

De leerlingen
4.14 kunnen de gevaarlijke verkeerssituaties in de ruimere schoolomgeving lokaliseren.
4.15 beschikken over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsbehoud en gevoel voor coŲrdinatie en ze kennen de verkeersregels voor fietsers en voetgangers, om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een voor hen vertrouwde route.
4.16 tonen zich in hun gedrag bereid rekening te houden met andere weggebruikers.
4.17 kennen de belangrijkste gevolgen van het groeiende autogebruik en kunnen de voor- en nadelen van mogelijke alternatieven vergelijken.
4.18 kunnen een eenvoudige route uitstippelen met het openbaar vervoer.

5. Brongebruik

5.1 De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen.

naar boven

Laatst gewijzigd op: 30/05/2017