Curriculum - site van de Vlaamse overheid


 

Lager onderwijs - Nederlands - Eindtermen

Geldig vanaf: 1/09/2010

1. Nederlands - Luisteren

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in
1.1 een voor hen bestemde mededeling met betrekking tot het school- en klasgebeuren;
1.2 een voor hen bestemde informatieve radio-uitzending;
1.3 een uiteenzetting of instructie van een medeleerling, bestemd voor de leerkracht;
1.4

een telefoongesprek.

   
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren) de informatie op een persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen bij:
1.5 een uiteenzetting of instructie van de leerkracht;
1.6 een voor hen bestemde instructie voor een buitenschoolse situatie;
1.7 een voor hen bestemde informatieve tv.-uitzending.
 
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beoordelen) op basis van, hetzij de eigen mening, hetzij informatie uit andere bronnen, de informatie beoordelen die voorkomt in:
1.8 een discussie met bekende leeftijdgenoten;
1.9 een gesprek met bekende leeftijdgenoten;
1.10 een door leeftijdgenoten geformuleerde oproep.


2. Nederlands - Spreken

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) het gepaste taalregister hanteren als ze:
2.1 aan leeftijdgenoten over zichzelf informatie verschaffen;
2.2 aan iemand om ontbrekende informatie vragen;
2.3 over een op school behandeld onderwerp aan de leerkracht verslag uitbrengen;
2.4 in een telefoongesprek informatie uitwisselen.
 
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren) het gepaste taalregister hanteren als ze:
2.5 vragen van de leerkracht in verband met een behandeld onderwerp beantwoorden;
2.6 van een behandeld onderwerp of een beleefd voorval een verbale/non-verbale interpretatie brengen, die begrepen wordt door leeftijdgenoten;
2.7 bij een behandeld onderwerp vragen stellen die begrepen en beantwoord kunnen worden door leeftijdgenoten;
2.8 een instructie geven zodat iemand die vertrouwd is met de situatie, ze kan uitvoeren.
 
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beoordelen) het gepaste taalregister hanteren als ze op basis van vergelijking, hetzij met hun eigen mening, hetzij met andere bronnen:
2.9* in een gesprek kritisch reageren op de vragen en opmerkingen van bekende volwassenen;
2.10* tijdens een discussie met bekende volwassenen over een behandeld onderwerp passende argumenten naar voren brengen.

3. Nederlands - Lezen

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in
3.1 voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard;
3.2 de gegevens in schema's en tabellen ten dienste van het publiek;
3.3 voor hen bestemde teksten in tijdschriften.
 
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren) de informatie ordenen die voorkomt in:
3.4 voor hen bestemde school- en studieteksten en instructies bij schoolopdrachten;
3.5 voor hen bestemde verhalen, kinderromans, dialogen, gedichten, kindertijdschriften en jeugdencyclopedieŽn.
 
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beoordelen) op basis van, hetzij de eigen mening, hetzij informatie uit andere bronnen, informatie beoordelen die voorkomt in:
3.6 verschillende voor hen bestemde brieven of uitnodigingen;
3.7 reclameteksten die rechtstreeks verband houden met hun leefwereld.

4. Nederlands - Schrijven

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = kopiŽren)
4.1 overzichten, aantekeningen, mededelingen op- en overschrijven.
 
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven):
4.2 een oproep, een uitnodiging, een instructie richten aan leeftijdgenoten.
 
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren):
4.3  een brief schrijven aan een bekende om een persoonlijke boodschap of belevenis over te brengen;
4.4 voor een gekend persoon een verslag schrijven van een verhaal, een gebeurtenis, een informatieve tekst;
4.5 een formulier invullen met informatie over henzelf;
4.6 schriftelijk antwoorden op vragen over verwerkte inhouden.
4.7 De leerlingen kunnen voor het realiseren van bovenstaande eindtermen bovendien:
  • hun teksten verzorgen rekening houdende met handschrift en lay-out
  • spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van
    • woorden met vast woordbeeld:
      • klankzuivere woorden
      • hoogfrequente niet-klankzuivere woorden
    • woorden met veranderlijk woordbeeld (regelwoorden):
      • werkwoorden
      • klinker in open/gesloten lettergreep
      • verdubbeling medeklinker
      • niet-klankzuivere eindletter
    • hoofdletters
    • interpunctietekens . , ? ! :
4.8* De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor spreken, luisteren, lezen en schrijven de volgende attitudes:
  • luister-, spreek-, lees- en schrijfbereidheid;
  • plezier in luisteren, spreken, lezen en schrijven;
  • bereidheid tot nadenken over het eigen luister-, spreek-, lees- en schrijfgedrag;
  • bereidheid tot het naleven van luister-, spreek-, lees- en schrijfconventies;
  • weerbaarheid.

5. Nederlands - StrategieŽn

De leerlingen kunnen bij de eindtermen luisteren, lezen, spreken en schrijven de volgende strategieŽn inzetten:
5.1 zich oriŽnteren op aspecten van de luister-, lees-, spreek- en schrijftaak: doel, teksttype en eigen kennis, en voor spreken en schrijven ook op de luisteraar of lezer;
5.2 hun manier van luisteren, lezen, spreken en schrijven afstemmen op het luister- lees-, spreek- of schrijfdoel, en voor spreken en schrijven ook op de luisteraar of lezer;
5.3 tijdens het luisteren, lezen, spreken en schrijven hun aandacht behouden voor het bereiken van het doel;
5.4 het resultaat beoordelen in het licht van het luister-, lees-, spreek- of schrijfdoel.

6. Nederlands - Taalbeschouwing

Overkoepelende attitudes
   
6.1* De leerlingen zijn bereid om op hun niveau:
  • bewust te reflecteren op taalgebruik en taalsysteem;
  • van de verworven inzichten gebruik te maken in hun talig handelen.
6.2* Bij het reflecteren op taalgebruik en taalsysteem tonen de leerlingen interesse in en respect voor de persoon van de ander, en voor de eigen en andermans cultuur.
   
Taalgebruik
 
6.3 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op de belangrijkste factoren van een communicatiesituatie: zender, ontvanger, boodschap, bedoeling, situatie.
6.4 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties op hun niveau reflecteren op:
  • het gebruik van standaardtaal, regionale en sociale taalvariŽteiten;
  • het gebruik van in hun omgeving voorkomende talen;
  • normen, houdingen, vooroordelen en rolgedrag via taal;
  • taalgedragsconventies;
  • de gevolgen van hun taalgedrag voor anderen en henzelf;
  • talige aspecten van cultuuruitingen in hun omgeving.
Taalsysteem
 
6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot:
  • klanken, woorden, zinnen, teksten;
  • spellingvormen;
  • betekenissen.
StrategieŽn
   
6.6 De leerlingen kunnen op hun niveau reflecteren op de door hen gebruikte luister-, spreek-, lees- en schrijfstrategieŽn, en daarbij de attitudes, kennis en vaardigheden van de eindtermen Nederlands inzetten.
 
Begrippen en termen
 
6.7 De leerlingen kunnen bij alle eindtermen Nederlands de bijbehorende taalbeschouwelijke begrippen en termen uit de tweede kolom gebruiken, nl.:
 

Hoofdcategorie Eindtermen lager onderwijs
1 fonologisch domein - klanken
klank klank
  klinker
  medeklinker
  rijm
  uitspraak
2 orthografisch domein - spellingvormen
alfabet alfabet
  letter
  klinker
  medeklinker
  eindletter
  hoofdletter
  kleine letter
diakritische tekens koppelteken
  apostrof
  trema
uitspraaktekens accent
leestekens leesteken
  punt
  vraagteken
  uitroepteken
  komma
  dubbele punt
  spatie
  aanhalingsteken
afkortingen afkorting
3 morfologisch domein - woorden
woord woord
woordvorming samenstelling
  afleiding
affix voorvoegsel
  achtervoegsel
woordsoort -
zelfstandig naamwoord zelfstandig naamwoord
  eigennaam
  verkleinwoord
getal enkelvoud
  meervoud
genus mannelijk
  vrouwelijk
  onzijdig
lidwoord lidwoord
bijvoeglijk naamwoord bijvoeglijk naamwoord
werkwoord werkwoord
werkwoordvormen stam
  uitgang
vervoegde vormen persoonsvorm
  persoon
  eerste persoon (ik - wij)
  tweede persoon (jij - jullie)
  derde persoon (hij, zij, het - zij)
  enkelvoud
  meervoud
niet-vervoegde vormen infinitief
tempus tijd
  tegenwoordige tijd
  verleden tijd
werkwoordsoorten -
voornaamwoord -
voorzetsel -
telwoord -
4 syntactisch domein - zinnen
zin zin
zinsdeel zinsdeel
  onderwerp
  persoonsvorm
woordgroep woordgroep
5 semantisch domein - betekenissen
betekenisrelaties synoniem
metaforisch taalgebruik uitdrukking
6 tekstueel domein - teksten
tekst tekst
tekstsoort fictie
  non-fictie
tekstopbouw inleiding
  midden
  slot
  hoofdstuk
  alinea
  regel
  kopje
  titel
  bladzijde
structuuraanduiders -
(materiŽle) vormgeving lay-out
  cursief
  vetjes
status van uitspraken feit
  mening
7 pragmatisch domein - taalgebruik
factoren in de communicatiesituatie zender
  spreker
  schrijver
  ontvanger
  luisteraar
  lezer
  boodschap
  bedoeling
  situatie
8 sociolinguÔstisch domein - taalgebruik
taal Nederlands
  Frans
  Duits
  Engels
taalvariŽteiten standaardtaal
  dialect
  moedertaal
  vreemde taal

7. Nederlands - (Inter)culturele gerichtheid

7* De leerlingen tonen bij de eindtermen Nederlands een (inter)culturele gerichtheid. Dit houdt in dat ze:
 
  • verschillende cultuuruitingen met een talige component in hun omgeving ex≠ploreren en er betekenis aan geven;

  • hun gedachten, belevingen en emoties bij ervaringen met de eigen culturele leefwereld in vergelijking met die van anderen verwoorden;

  • uitgaande van het eigen referentiekader enige kennis verwerven over de diversiteit in het culturele erfgoed met een talige component en er waardering voor krijgen.

   
* De attitudes werden met een asterisk (*) aangeduid.

naar boven

Laatst gewijzigd op: 30/05/2017