Curriculum - site van de Vlaamse overheid


 

Buitengewoon lager onderwijs Type 1 - Muzische vorming - Ontwikkelingsdoelen

1. Algemeen

1 De leerling gaat op een speelse manier met beeldtaal, klanktaal, lichaamstaal, woordtaal en audiovisuele taal om.
2 De leerling durft zijn eigen fantasierijke en inventieve uitingen tonen.
3 De leerling uit zich muzisch in een sociaal aanvaardbare context.
4 De leerling ervaart en verwerkt de vormgevingsmogelijkheden en beperkingen van materialen en beelden, instrumenten en klanken, bewegingen en lichaamstaal, woorden en stem.
5 De leerling stelt zich open voor kunst.
6 De leerling kiest een aangepaste muzische techniek of werkvorm om een impressie over te brengen of een muzische creatie samen te stellen.

2. Beeld

7 De leerling doet impressies op door betasten en voelen (tactiel), door kijken en zien (visueel), hij verwerkt deze impressies en praat erover.
8 De leerling onderscheidt en verwoordt verscheidene beeldaspecten (kleur, lijn, vorm, vlak, en ritme).
9 De leerling onderscheidt materialen en technieken door observeren, exploreren en experimenteren.
10 De leerling ontwikkelt een toenemende vaardigheid in het gebruik van materialen en het toepassen van technieken (o.a. knippen, plakken, schilderen, boetseren, een lat hanteren, ...).
11 De leerling wendt verschillende beeldende, technische middelen aan en gebruikt ze samen om tot beeldend werk te komen.
12 De leerling geeft zintuiglijke impressies, informatie, ervaringen, gevoelens en fantasieën op een beeldende manier weer in een persoonlijke, authentieke creatie.
13 De leerling herkent de materialen en technieken die in een beeldend werk zijn gebruikt.

3. Muziek

14 De leerling ervaart, herkent en bootst het ritme in beluisterde muziek en de geluidsomgeving na.
15 De leerling ervaart en herkent signalen in beluisterde muziek en in de geluidsomgeving.
16 De leerling heeft aandacht voor de klankeigenschappen.
17 De leerling ervaart en herkent de functie en gebruikssituatie van klanken, geluiden en muziek.
18 De leerling ontdekt het gevarieerde muziekaanbod in de wereld van geluiden.
19 De leerling doet muzikale impressies op uit de geluidsomgeving.
20 De leerling experimenteert met klank, stem, instrument en test verschillende klankbronnen uit op hun klankwaarde en maakt er gebruik van in een muzikaal (samen)spel.
21 De leerling ontwikkelt een toenemende stembeheersing.
22 De leerling speelt met liederen en muziekfragmenten.
23 De leerling houdt bij het samenspel of de samenzang rekening met eenvoudige afspraken.
24 De leerling ervaart dat hijzelf in staat is om eenvoudige composities te maken.

4. Drama

25 De leerling experimenteert met verschillende verbale en non-verbale spelvormen.
26 De leerling neemt verschillende spelvormen waar.
27 De leerling ervaart en ziet in dat de juiste verhouding tussen woord en beweging de expressie kan vergroten.
28 De leerling ontwikkelt een aan de speelsituatie aangepaste spreektechniek (articulatie, adembeheersing, tempo, toonhoogte).
29 De leerling luistert geconcentreerd naar een gesproken tekst (verteld of voorgelezen) en geeft die mondeling, schriftelijk, beeldend of dramatisch weer.
30 De leerling uit zintuiglijke impressies, ervaringen, gevoelens, fantasieën en gedachten in symbolisch spel.
31 De leerling maakt onderscheid tussen spel en werkelijkheid.
32 De leerling hanteert spelvormen in een sociale en maatschappelijke context.

5. Beweging

33 De leerling experimenteert met verschillende bewegingsmogelijkheden van het eigen lichaam.
34 De leerling beweegt spontaan mee op muziek.
35 De leerling bouwt een eenvoudig bewegingsverhaal op met als vertrekpunt iets wat gehoord, gezien, gelezen, gevoeld of meegemaakt wordt.
36 De leerling beweegt op een creatieve manier en bespeelt daarbij één of meerdere basiselementen van de beweging.
37 De leerling beweegt samen met anderen, waarbij al improviserend gereageerd wordt op elkaars beweging.
38 De leerling begrijpt dat beweging en dans verschillende functies en betekenissen kunnen hebben zowel hier als in andere culturen.

6. Media

39 De leerling experimenteert en stelt daarbij vast dat klanken, beelden en bewegingen elkaar wederzijds beïnvloeden.
40 De leerling ervaart en beseft dat een audiovisuele boodschap verschillend kan geïnterpreteerd worden.
41 De leerling ervaart dat in een audiovisuele boodschap het aanbrengen van minimale veranderingen een andere betekenis kan veroorzaken.
42 De leerling herkent en begrijpt eenvoudige audiovisuele informatie uit de eigen omgeving.
43 De leerling onderzoekt en vergelijkt informatie uit de eigen omgeving naar betrouwbaarheid, eenzijdigheid en oppervlakkigheid.
44 De leerling beoordeelt audiovisuele boodschappen (van zichzelf en van anderen) op hun geslaagde en minder geslaagde aspecten.
45 De leerling wijst soorten van eenvoudige hedendaagse audiovisuele opname- en weergavetoestellen (informatiedragers) aan, benoemt ze en bedient ze creatief.
46 De leerling maakt zelf een audiovisuele boodschap met tekens, kleuren, vormen, gebaren, bewegingen, woorden, geluiden...
47 De leerling relativeert het massale audiovisuele aanbod en plaatst het in zijn context.
48 De leerling maakt een bewuste keuze binnen het audiovisuele aanbod.

7. Attitudes

49 De leerling staat open en blijft alert voor nieuwe dingen uit zijn omgeving.
50 De leerling geniet van het muzisch handelen.
51 De leerling vertrouwt op zijn eigen expressiemogelijkheden.
52 De leerling betoont respect voor uitingen van leeftijdgenoten, behorend tot de eigen en de andere culturen.
53 De leerling geniet van de fantasie, de originaliteit, de creativiteit en de zelfexpressie in 'kunstwerken'.
54 De leerling durft een eigen mening te geven over kunstwerken.

naar boven

Laatst gewijzigd op: 30/05/2017