Curriculum - site van de Vlaamse overheid


 

Buitengewoon basisonderwijs Type 2 - Communicatie en taal - Ontwikkelingsdoelen

1. Domein communicatieve vaardigheden

1.1 Basale communicatieve vaardigheden

Verwerven van handelingen, gedrag en vaardigheden voor communicatie

1 De leerling ervaart/herkent/reageert op vertrouwde personen.
2 De leerling ervaart/herkent/onderscheidt/reageert op alledaagse situaties.
3 De leerling ervaart/beheerst zijn ademhaling op een doeltreffende wijze.
4 De leerling ervaart/beheerst de motoriek van de spraakorganen op een doeltreffende wijze.
5 De leerling beheerst vaardigheden om alternatieve communicatiesystemen te gebruiken.

1.2 Communicatieve vaardigheden ‘luisteren’

Communicatievormen

6 De leerling begrijpt één of meerdere communicatiesystemen.

Communicatiecontexten

7 De leerling begrijpt communicatie in omgang met gekende personen in verschillende situaties: verzorging, eten,  leren, ontspannen en leven.
8 De leerling begrijpt communicatie in omgang met gekende personen in een uitgebreide omgeving.
9 De leerling begrijpt communicatie met niet gekende personen in een uitgebreide omgeving.

1.3 Communicatieve vaardigheden ‘spreken’

Communicatievormen

10 De leerling communiceert via één of meerdere communicatiesystemen.

Communicatiecontexten

11 De leerling communiceert met gekende personen in een verschillende situaties: verzorgen, eten, leren, ontspannen  en leven.
12 De leerling communiceert met gekende personen in een uitgebreide omgeving.
13 De leerling communiceert met niet gekende personen in een uitgebreide omgeving.

2. Domein lezen

2.1 Faciliterende leesvoorwaarden en -aspecten

Visueel-ruimtelijke leesvoorwaarden en -aspecten

14 De leerling onderscheidt verschillen visueel.
15 De leerling analyseert visueel.
16 De leerling onthoudt visuele informatie.
17 De leerling ordent visueel van links naar rechts.

Auditief-temporele leesvoorwaarden en -aspecten

18 De leerling discrimineert auditief.
19 De leerling analyseert auditief.
20 De leerling synthetiseert auditief.
21 De leerling onthoudt auditieve informatie.

Leesbegrippen

22 De leerling begrijpt de ruimtelijke en temporele begrippen die voor het lezen nodig zijn.


2.2 Functioneel lezen

Voorwerpen of voorstellingen die naar persoonlijke situatie verwijzen.

23 De leerling gebruikt verwijzers.

Pictogrammen

24 De leerling identificeert de universele pictogrammen in een vertrouwde omgeving en reageert op adequate wijze.
25 De leerling identificeert de universele pictogrammen in openbare gebouwen en plaatsen en reageert op adequate wijze.

Geschreven persoonlijke gegevens

26 De leerling herkent en hanteert geschreven persoonlijke gegevens.

Eenvoudige verhalen (met het oog op de vrijetijdsbesteding)

27 De leerling volgt een verhaal op basis van prenten of tekeningen.
28 De leerling volgt een verhaal op basis van de voorgelezen tekst.
29 De leerling leest en begrijpt eenvoudige verhalen.

Geschreven informatie

30 De leerling identificeert de geschreven namen van familieleden en kennissen.
31 De leerling identificeert eenvoudige geschreven basiswerkwoorden die een actie aangeven.
32 De leerling reageert op adequate wijze op geschreven informatie die gevonden kan worden op veiligheidsaanduidingen / verpakkingen en etiketten / aanwijzingen en signaalwoorden.
33 De leerling reageert correct op eenvoudig geschreven opdrachten.
34 De leerling hanteert informatie op gegevenslijsten, dienstregelingen en mededelingenborden.

Geschreven instructies uitvoeren

35 De leerling voert gevisualiseerde instructies uit.

3. Domein schrijven

3.1 Faciliterende schrijfvoorwaarden en -aspecten

Klein-motorische vaardigheden

36 De leerling bezit een adequate lichaamstonus en voldoende differentiatie in de beweging van de bovenste  ledematen en de romp om tot een goede schrijfhouding te komen.
37 De leerling gebruikt schrijfmateriaal correct.
38 De leerling tekent lijnen en vormen na.
39 De leerling kopieert getallen, letters en woorden.

Eenvoudige figuren en tekens

40 De leerling reproduceert eenvoudige figuren en tekens uit het hoofd.


3.2 Functioneel schrijven

Persoonlijke gegevens, noden en gedachten

41 De leerling schrijft persoonsgebonden gegevens neer.
42 De leerling schrijft eenvoudige boodschappen.
43 De leerling adresseert correct.

Hulpmiddelen

44 De leerling gebruikt hulpmiddelen om te communiceren via geschreven taal.

naar boven

Laatst gewijzigd op: 30/05/2017