Buitengewoon secundair onderwijs - Opleidingsvorm 3 - Algemene en sociale vorming - Leren leren - Ontwikkelingsdoelen


5. Leren leren

5.1 Structurele componenten

5.1.1 Aandacht

  1. De leerling schenkt doelgericht aandacht.

  2. De leerling houdt zijn aandacht gericht tot wanneer de taak afgewerkt is.

5.1.2 Geheugen

  1. De leerling memoriseert door onthoud- en zoekstrategieŽn zoals informatie betekenisvol te maken, te ordenen en te herhalen, te verbaliseren, te visualiseren of te motoriseren, het gebruik van memotechnische middelen, innerlijke spraak, voorstellingsvermogen om het gezochte op te roepen.

  2. De leerling gaat uit van een geheel of van onderdelen om op het juiste geheugenspoor te komen.

5.2 Informatieverwerking en probleemoplossing

5.2.1 lnformatieverwerving

  1. De leerling exploreert actief en doelgericht en gebruikt hierbij verschillende zintuiglijke kanalen.

  2. De leerling neemt systematisch en gericht waar en heeft hierbij oog voor relevante details.

  3. De leerling weet bij welke personen, instanties en in welke informatiebronnen hij welke informatie kan vinden.

  4. De leerling verruimt zijn horizon betreffende zijn toekomst.

  5. De leerling hanteert zoekstrategieŽn om informatie te verwerven in verband met te maken keuzes.

  6. De leerling verwerft een overzicht over studie- en beroepsmogelijkheden, rekening houdend met de eigen capaciteiten en interesses.

5.2.2 Informatieverwerking en uitvoering

  1. De leerling reflecteert vůůr, tijdens en na het handelen en neemt hiervoor voldoende bedenktijd.

  2. De leerling is voldoende flexibel en creatief in zijn leren en denken.

  3. De leerling komt tot zelfontdekkend leren.

  4. De leerling komt tot abstract denken door te vergelijken, te classificeren, te seriŽren, verbanden te leggen, te generaliseren.

  5. De leerling komt tot inzichtelijk leren en denken.

  6. De leerling is gericht op het juist begrijpen en gebruiken van informatie.

  7. De leerling kan losse gegevens een betekenis geven door ze te situeren in een context en ze te omschrijven.

  8. De leerling gebruikt zelfstandig en op systematische wijze informatiebronnen op zijn niveau.

  9. De leerling verwerft op systematische wijze samenhangende informatie door de informatie grondig te bewerken.

  10. De leerling legt verbanden tussen nieuwe informatie en reeds verworven informatie, en ziet samenhangen binnen de nieuwe informatie.

  11. De leerling verwerft en gebruikt op systematische wijze samenhangende mondelinge en schriftelijke informatie.

5.2.3 Probleemoplossing

  1. De leerling identificeert het probleem.

  2. De leerling exploreert en analyseert het probleem.

  3. De leerling zoekt en bedenkt verschillende mogelijke oplossingswijzen voor het probleem.

  4. De leerling weegt de mogelijke oplossingswijzen/ keuzemogelijkheden af en selecteert de beste.

  5. De leerling verwoordt de gekozen oplossingsweg.

  6. De leerling volgt de gekozen oplossingsweg daadwerkelijk en controleert regelmatig of hij nog op het goede spoor zit.

  7. De leerling zorgt ervoor dat zijn oplossing duidelijk en volledig is.

  8. De leerling herwerkt bij een ongunstig resultaat enkel datgene wat fout is.

  9. De leerling brengt verslag uit over zijn eigen werk.

5.2.4 Evaluatie

  1. De leerling formuleert de controlecriteria die hij zelf bedacht heeft of die extern opgelegd worden.

  2. De leerling geeft aan wat goed en wat fout is gegaan, wat de reden was en waarop volgende keer gelet moet worden om (weer) succes te halen.

  3. De leerling gaat na of hij op de gepaste manier de juiste informatie verworven heeft.

  4. De leerling controleert regelmatig of hij het geleerde nog voldoende kent.

  5. De leerling controleert de gevonden oplossing en reflecteert op de oplossingsweg.

5.3 Monitor: metacognitieve aspecten

5.3.1 Metacognitieve vaardigheden

Voorspellen

  1. De leerling is probleemgevoelig en probleembewust.

  2. De leerling zoekt en geeft spontaan aan wat hij wel/niet zal kunnen, bij welke taakaspecten hij snel/traag zal moeten werken en waar hij extra moeilijkheden verwacht.

Plannen

  1. De leerling bepaalt op basis van de verkregen informatie wat nu juist de opdracht is m.a.w. wat hij moet doen.

  2. Vooraleer hij tot actie overgaat stelt de leerling ťťn of meerdere mogelijke werkplannen op waaruit hij het meest adequate kiest.

  3. De leerling werkt volgens het plan.

  4. De leerling plant en organiseert, eventueel onder begeleiding zijn lessentaken en opdrachten en controleert zijn eigen leerproces en stuurt het bij.

Zelfreguleren en evalueren

  1. De leerling werkt ordelijk en systematisch vanuit het besef dat dit voordelen heeft.

  2. De leerling streeft efficiŽntie na door zijn (school)agenda functioneel te gebruiken, zijn werkruimte en boekentas ordelijk te schikken, het nodige materiaal klaar te leggen voor een opdracht en het materiaal efficiŽnt te gebruiken.

  3. De leerling durft (leer)problemen signaleren en bijkomende informatie of hulp vragen.

  4. De leerling formuleert op zijn niveau doelstellingen en streeft realistische tussen- en einddoelen na.

  5. De leerling stuurt zijn gedrag doelgericht, houdt het doel steeds voor ogen, evalueert en stuurt bij indien nodig en evalueert zijn werk achteraf.

  6. De leerling heeft belangstelling voor het resultaat van zijn werk en inspanningen.

  7. De leerling houdt zich aan afspraken en regels.

  8. De leerling heeft een adequaat werktempo en -ritme.

  9. De leerling toont geduld bij het leren, werken en probleemoplossen.

  10. De leerling zet ondanks moeilijkheden toch door en raakt niet onmiddellijk ontmoedigd.

  11. De leerling maakt een onderscheid tussen toevallige en stabiele oorzaken van zijn succes/mislukking.

  12. De leerling aanvaardt kritiek en is bereid uit zijn fouten te leren.

  13. De leerling leert op zijn niveau met nauwkeurigheid, efficiŽntie, wil tot zelfstandigheid, voldoende zelfvertrouwen, voldoende weerbaarheid, houding van openheid en kritische zin.

5.3.2 Metacognitieve kennis

Kennis over zichzelf

  1. De leerling ontwikkelt inzicht in de eigen mogelijkheden en beperkingen op het vlak van probleemoplossing en informatieverwerking en houdt er rekening mee.

  2. De leerling ziet in dat hij voortdurend bijleert en verandert en stuurt vooroordelen betreffende het eigen leren bij.

  3. De leerling maakt een onderscheid tussen de oorzaken van succes/mislukking die bij hemzelf liggen of bij een ander.

  4. De leerling beseft dat hij zijn sterke punten kan aanwenden om zijn zwakke punten te verbeteren of te compenseren.

Kennis over het leren

  1. De leerling weet en geeft met voorbeelden aan hoe hij zelfstandig kan werken en leren.

  2. De leerling weet dat sommige dingen regelmatig herhaald moeten worden.

  3. De leerling weet op welke manier hij het meest efficiŽnt leert.

  4. De leerling weet dat - wanneer hij de oorzaak van de fouten kent- hij die fouten in de toekomst en in andere situaties kan vermijden.

5.4 Transfer

  1. De leerling legt relaties tussen vroegere, huidige en toekomstige situaties. Hij begrijpt dat iets wat hij vroeger leerde in huidige en toekomstige situaties kan gebruikt worden.

  2. De leerling past verworven kennis, inzichten en vaardigheden automatisch en adequaat toe in situaties die zowel sterk gelijken op de oorspronkelijke leersituatie als die er wezenlijk van verschillen.

  3. De leerling gaat systematisch en gericht zoeken naar kennis, inzichten en vaardigheden die hij in een bepaalde situatie of bij het oplossen van een probleem kan gebruiken.

naar boven

Laatst gewijzigd op: 21/08/2018