Curriculum - site van de Vlaamse overheid

Secundair onderwijs - Tweede graad graad ASO - Grieks-Latijn -
Cesuurdoelen

Protocolakkoord - Bijlage

Bijlage bij het protocolakkoord tussen de overheid en de inrichtende machten over de te bereiken doelstellingen in het specifieke gedeelte op het einde van de tweede graad ASO.

1. Ordening en systematiek

De leerlingen kunnen

1. grammaticale regels en begrippen in een algemeen referentiekader plaatsen.

2. een grammaticaal referentiekader gebruiken als hulpmiddel bij de lectuur van een klassieke tekst.

3. in voorbeelden uit een behandelde tekst structuur- en stijlelementen herkennen.

4. bij de lectuur van een tekst de gememoriseerde vertalingen van een woord toetsen aan de context.

5. de betekenis van woorden verduidelijken doorze in hun semantische of grammaticale bestanddelen te analyseren.

6. door woordgroepen te onderscheiden de samenhang en betekenis van een zin achterhalen.

7. stamverwantschap tussen Griekse/ Latijnse woorden herkennen.

8. woordvormingsystemen identificeren aan de hand van gegeven voorbeelden.

9. bij het lezen van een Griekse/Latijnse tekstde aangeleerde lectuurmethode toepassen.

10. behandelde teksten situeren in het oeuvre van een auteur en in het literaire genre.

11. behandelde teksten situeren in hun cultureel-historische context.

2. Expressie en waardering

De leerlingen kunnen

12. de expressieve waarde van stijlelementen in een behandelde tekst verwoorden.

13. aan de hand van een behandelde tekst hoofdkenmerken van literatuur in de Klassieke Oudheid herkennen.

14. aan de hand van een concreet voorbeeld hoofdkenmerken van kunstuitingen in de Klassieke Oudheid illustreren.

15. op een creatieve manier bepaalde aspecten van de Griekse/ Romeinse cultuur verwerken.

3. Communicatie

De leerlingen kunnen

16. de invloed van contextgegevens op de betekenis van een tekst aantonen.

17. de relatie tussen tekstonderdelen aangeven aan de hand van signaal- en verwijswoorden, herhalingen, synoniemen en omschrijvingen.

18. een behandelde tekst expressief lezen met aandacht voor de uitspraak.

19. de inhoud van een tekst (fragment) met eigen woorden weergeven.

20. met hulpmiddelen tekstbegriptonen van een behandelde en een analoge niet-behandelde tekst.

21. over een behandelde tekst een eigen mening verwoorden en verantwoorden.

22. voorbeelden geven van niet tekstuele communicatie in de Klassieke Oudheid.

4. Waarden, normen en opvattingen

De leerlingen kunnen

23. opvattingen, waarden en normen afleiden uit het taalgebruik van een behandeld auteur.

24. beïnvloedingsmechanismen herkennen in het taalgebruik van een auteur.

25. concepten in verband met de relatie mens-zingeving en mens-natuur, mens-medemens of mens-samenleving in antieke cultuuruitingen analyseren.

26. de situatie van maatschappelijke groepen afleiden en vergelijken met hedendaagse situaties uit divers bronnenmateriaal.

5. Identiteit en diversiteit

De leerlingen kunnen

27. de groei van Grieks/Latijn tot wereldtaal toelichten.

28. met concrete voorbeelden aspecten van de diversiteit van de Griekse/Romeinse samenleving aantonen.

29. de opvattingen van Grieken/Romeinen over andere samenlevingen beschrijven en vergelijken met hedendaagse beeldvorming over andere culturen.

30. in Romeinse cultuuruitingen de invloed van de Griekse cultuur herkennen.

31. op grond van een voorbeeld uit de Griekse/Romeinse samenleving aantonendat de aanwezigheid van verschillende culturen in een samenleving tot integratie of conflicten kan leiden.

6. Traditie en evolutie

De leerlingen kunnen

32. woorden die verwant zijn met Griekse/Latijnse stammen of woorden, etymologisch verklaren.

33. aan de hand van de vergelijking van een vertaling methet origineel, gelijkenissen en verschillen tussen het Griekse/Latijnse en een modern taalsysteem toelichten.

34. de doorwerking van Griekse/Romeinse ideeën, cultuuruitingen en maatschappelijke patronen illustreren.

35. een Griekse/Romeinse visie op mens en maatschappij met hedendaagse visies vergelijken.

7. Onderzoekscompetentie

De leerlingen kunnen

36. onder begeleiding voor een gegeven onderzoeksprobleem onderzoeksvragen formuleren.

37. op basis van geselecteerde bronnen voor een gegeven onderzoeksvraag, op een systematische wijze informatie verzamelen en ordenen .

38. onder begeleiding een gegeven probleem met een aangereikte methode onderzoeken.

39. onder begeleiding onderzoeksresultaten verwerken, interpreteren en conclusies formuleren.

40. volgens een gegeven stramien over de resultaten van de eigen onderzoeksactiviteit rapporteren.

41. onder begeleiding reflecteren over de bekomen onderzoeksresultaten en over de aangewende methode.

-->

naar boven

Laatst gewijzigd op:
05/05/2017