Curriculum - site van de Vlaamse overheid

Secundair onderwijs - Derde graad ASO - Grieks-Latijn -
Specifieke eindtermen

Uitgangspunten

De decretale specifieke eindtermen klassieke studies hebben betrekking op kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes waarmee leerlingen 

Inhoudelijk kader

De decretale specifieke eindtermen zijn geordend volgens 6 onderdelen die het mogelijk maken de polen Latijn en Grieks te karakteriseren, met name:

Deze onderdelen worden bestudeerd vanuit twee invalshoeken, met name taal en cultuur.

Onder taalstudie verstaan we de studie van taalfenomenen uit de Klassieke Oudheid waardoor taalkundige kennis wordt verworven. Die laat zien hoe de klassieke talen zijn opgebouwd en welke verschillen en gelijkenissen er onderling en met de huidige moderne talen zijn. Taalstudie geeft ook een idee van de manier waarop taal in de oudheid gebruikt werd en hoe klassieke talen evolueerden.

De studie van cultuuruitingen als uitdrukking van mens en maatschappij hoort bij de culturele invalshoek. Door analyse en reflectie worden culturele uitingen op basis van gelijkenissen en verschillen verduidelijkt. Behalve aan literaire teksten besteden de  specifieke eindtermen ook aandacht aan andere cultuuruitingen zoals drama, architectuur, beeldende kunst, wetenschappen. 

De benadering van taal en cultuur gebeurt in de eerste plaats vanuit een perspectief dat jongeren in staat stelt om o.m. vanuit de eigen beleving van de realiteit aanknopingspunten te vinden in taal en cultuur van een ver verleden. De vergelijking van hedendaagse taal- en cultuurelementen met gelijkaardige verschijnselen uit het verleden, biedt de leerling de kans om zowel de specifieke als de relatieve waarde van taal- en cultuuruitingen te begrijpen en in een context te plaatsen.  Gaandeweg komt er een grotere waaier van problemen aan bod.  Thema’s worden verruimd, uitgediept en in een complexer perspectief geplaatst om te komen tot logische analyse en synthese. 

De decretale specifieke eindtermen kunnen zowel slaan op Grieks (Griekse, Grieken) of Latijn (Romeinse, Romeinen).  Voor de pool Grieks en voor de pool Latijn gelden dezelfde specifieke eindtermen die, in geval van combinatie, in beide polen moeten worden bereikt.

Overzicht

A. Ordening en systematiek

 De leerlingen kunnen

  1. de samenstelling, stamverwantschap en betekenis van woorden door middel van woordvormingsystemen verduidelijken;

  2. en referentiekader (de basisregels in verband met morfologie, syntaxis, stilistiek, prosodie en metriek) gebruiken als hulpmiddel bij de lectuur van een tekst;

  3. bij het lezen van een Griekse/Latijnse tekst de aangeleerde lectuurmethode toepassen;

  4. in een tekst structuur – en stijlelementen onderscheiden en hun relatie tot de inhoud aangeven;

  5. kunstuitingen plaatsen en interpreteren in hun historische en culturele (filosofische, ethische, antropologische, natuurwetenschappelijke, ...) context;

  6. cultuurpatronen uit de Klassieke Oudheid beschrijven en vergelijken met hedendaagse;

  7. op een oordeelkundige manier gebruik maken van hulpmiddelen voor het begrijpen en interpreteren van een tekst.

B. Expressie en waardering

 De leerlingen kunnen

  1. de tekstmodi (narratief, lyrische, retorisch, ...) en de tekstgenres (epos, dialoog, brief, ...) onderscheiden op grond van taalgebruik en stilistische kenmerken;

  2. de expressieve waarde van tekstuele vormgeving toelichten en evalueren volgens opvattingen van de Klassieke Oudheid en ze confronteren met hedendaagse opvattingen;

  3. de expressieve waarde van niet – literaire kunstuitingen toelichten en evalueren volgens opvattingen van de Klassieke Oudheid en ze confronteren met hedendaagse opvattingen;

  4. gevoelens en ervaringen uitgedrukt in een antieke kunstuiting in hun cultuurhistorisch kader plaatsen, confronteren met eigen gevoelens en ervaringen en op een creatieve manier verwerken;

  5. een behandelde tekst adequaat in correct en vlot Nederlands omzetten.

C. Communicatie

De leerlingen kunnen

  1. een behandelde tekst expressief lezen met aandacht voor de communicatieve betekenis van stijl – en structuurmiddelen;

  2. de invloed van contextgegevens op betekenis en structuur van diverse soorten teksten aantonen en gebruiken om de tekst te interpreteren;

  3. de inhoud van een tekst(fragment) met eigen woorden weergeven en daarover een eigen mening verwoorden en verantwoorden;

  4. verschillende communicatiemiddelen (tekstuele, figuratieve en architecturale) uit de Klassieke Oudheid beschrijven en hun communicatieve functie verduidelijken;

  5. bij het leesproces het tekstbegrip systematisch aan grammaticale en inhoudelijke criteria toetsen en de aard van eventuele problemen aangeven.

D. Waarden, normen en opvattingen

 De leerlingen kunnen

  1. in diverse soorten teksten de onderlinge relatie tussen gedachtegang en taalgebruik enerzijds en waarden en normen anderzijds vaststellen en daarover kritisch reflecteren;

  2. in antieke cultuuruitingen concepten in verband met de relatie mens – zingeving en mens – natuur, mens – medemens of mens – samenleving analyseren, in de toenmalige context plaatsen en vergelijken met hedendaagse concepten;

  3. fundamentele kenmerken van het Romeinse recht formuleren en vergelijken met aspecten van de moderne wetgeving[1];

  4. de houding tegenover levensvragen in belangrijke filosofische stromingen vergelijken en met eigen opvattingen confronteren.

E. Identiteit en diversiteit

De leerlingen kunnen

  1. inzake taal en cultuur de invloed van Griekenland op Rome, en de invloed van beide op de Westerse taal en cultuur omschrijven en toelichten;

  2. de beeldvorming van de Grieken/Romeinen over zichzelf en over andere samenlevingen beschrijven en vergelijken met hedendaagse beeldvorming over andere culturen;

  3. aan de hand van taal en cultuur de identiteit en diversiteit van de Griekse/Romeinse samenleving aantonen en toelichten;

  4. in de bewerking of verwerking van antieke cultuuruitingen tijdgebonden accenten vaststellen.

F. Traditie en evolutie

De leerlingen kunnen

  1. doorwerking van Griekse/Latijnse woordenschat in moderne talen herkennen en toelichten;

  2. door vergelijking van een vertaling met het origineel, gelijkenissen en verschillen tussen het Griekse/Latijnse taalsysteem en een modern taalsysteem toelichten;

  3. de doorwerking en receptie van Grieks/Romeinse ideeën, cultuuruitingen en maatschappelijke fenomenen illustreren.

G     Onderzoekscompetentie

De leerlingen kunnen

  1. zich oriënteren op een onderzoeksprobleem door gericht informatie te verzamelen, te ordenen en te bewerken;

  2. op literair, esthetisch of historisch gebied een onderzoeksopdracht voorbereiden, uitvoeren en evalueren;

  3. de onderzoeksresultaten en conclusies rapporteren en ze confronteren met andere standpunten.

[1] Enkel voor de pool ‘Latijn’

naar boven

Laatst gewijzigd op:
05/05/2017