Curriculum - site van de Vlaamse overheid

Secundair onderwijs - Tweede graad ASO - Humane wetenschappen - Cesuurdoelen

Protocolakkoord - Bijlage

Bijlage bij het protocolakkoord tussen de overheid en de inrichtende machten over de te bereiken doelstellingen in het specifieke gedeelte op het einde van de tweede graad ASO.

1. Organisatie

De leerlingen kunnen

1. verduidelijken dat types van organisaties (zoals gezin, peergroup en beroepsgroep) verschillende varianten omvatten.

2. zichzelf of verwanten situeren ten aanzien van formele en informele organisaties.

3. voorbeelden geven van de wijze waarop het behoren tot organisaties individueel gedrag beïnvloedt.

4. verschillende maatschappelijke velden beschrijven en de wisselwerking ertussen verwoorden.

5. de doelen van instellingen op het plaatselijke niveau inventariseren en de werking kritisch evalueren.

6. in voorbeelden veranderingsprocessen binnen diverse maatschappelijke velden herkennen.

2. Interactie en communicatie

De leerlingen kunnen

7. de waarneming beschrijven als een proces van informatieverwerking en dit illustreren.

8. het communicatieproces beschrijven.

9. de effecten van interpersoonlijke interactie op individueel gedrag vaststellen.

10. omgangsvaardigheden zoals actief luisteren, niet-bedreigend confronteren en omgaan met kritiek, toepassen

11. de invloed van socio-culturele factoren op communicatie illustreren.

12. aantonen dat hedendaagse communicatiemiddelen de aard van de communicatie beïnvloeden.

13. aan de hand van enkele criteria het medialandschap in Vlaanderen in kaart brengen.

14. illustreren dat reclame een eigen vorm van communicatie hanteert.

15. ethische en juridische aspecten van reclame bespreken.

3. Identiteit, continuïteit en verandering

De leerlingen kunnen

16. aspecten van de cognitieve, de socio-emotionele en de psychomotorische ontwikkeling van het individu beschrijven.

17. beschrijven hoe onder de invloed van een wijzigende context de perceptie van gedragingen kan veranderen.

18. factoren die de vorming van het zelfbeeld beïnvloeden in voorbeelden herkennen en benoemen

19. de verwachtingspatronen die aan specifieke groepen worden toegeschreven op basis van kenmerken, zoals leeftijd, gender en etnische afkomst, vanuit historisch of cultureel perspectief vergelijken.

20. met voorbeelden uit verschillende culturen aantonen dat civilisatie een dynamisch proces is.

4. Samenhang en wisselwerking

De leerlingen kunnen

21. de wederzijdse beïnvloeding van individu en samenleving in concrete situaties aanwijzen en verwoorden.

22. vormen van solidariteit vergelijken.

23. verhoudingen tussen individuele belangen, groepsbelangen en maatschappelijke belangen in voorbeelden herkennen.

5 Expressie

De leerlingen kunnen

24. beschrijven hoe lichaam en lichamelijkheid een rol spelen in de relatieopbouw en in het sociaal functioneren van mensen.

25. de wisselwerking tussen emoties en gedrag toelichten.

26. socialeen culturele invloeden op uitingen van gevoelens illustreren.

27. beschrijven hoe kunstwerken waarden kunnen uitdrukken.

28. verschillende waarderingen van kunst vergelijken.

6. Waarden en normen

De leerlingen kunnen

29. in grote lijnen de waardeontwikkeling van het individu in de verschillende levensfases beschrijven.

30. de invloed van socialiserende instanties op het ontwikkelen van waarden illustreren.

31. op basis van morele criteria een eigen oordeel of beslissing evalueren.

32. in voorbeelden onderscheid maken tussen waarden, normen, attitudes en persoonlijke voorkeuren.

33. beschrijven op welke wijze waarden en normen in verschillende gemeenschappen worden overgeleverd.

34. met voorbeelden de dynamiek van waarden en normen in historisch en cultureel perspectief plaatsen.

7. Onderzoekscompetentie

De leerlingen kunnen

35. onder begeleiding voor een gegeven onderzoeksprobleem onderzoeksvragen formuleren.

36. op basis van geselecteerde bronnen voor een gegeven onderzoeksvraag, op een systematische wijze informatie verzamelen en ordenen.

37. onder begeleiding een gegeven probleem met een aangereikte methode onderzoeken.

38. onder begeleiding onderzoeksresultaten verwerken, interpreteren en conclusies formuleren.

39. volgens een gegeven stramien over de resultaten van de eigen onderzoeksactiviteit rapporteren.

40. onder begeleiding reflecteren over de bekomen onderzoeksresultaten en over de aangewende methode.

naar boven

Laatst gewijzigd op:
05/05/2017