Curriculum - site van de Vlaamse overheid

Secundair onderwijs - Derde graad ASO - Humane wetenschappen - Specifieke eindtermen

1. Uitgangspunten

In het studieprofiel humane wetenschappen[1] wordt het opleidingsconcept beschreven.

In een eerste fase leren de leerlingen menselijke gedragingen, maatschappelijke en culturele fenomenen herkennen en exploreren. Het aangrijpingspunt is de eigen erva≠rings- en leefwereld, die ze leren observeren, beschrijven en structureren met behulp van de begrippen, relaties en structuren uit de betreffende disciplines. Deze verkende ervaringswereld leren ze in een breder perspectief plaatsen door vergelijkingen op basis van een eenvoudige analyse. De leerlingen leren relaties leggen tussen verschillende aspecten van de onmiddellijke humane werkelijkheid. Door relateren en relativeren, leren ze ten aanzien van sommige gedrags-, maatschappij- en cultuuraspecten een objectiveerbaar standpunt innemen en verdedigen. De onderzoekscompetentie wordt ontwikkeld aan de hand van begrensde opdrachten.

In de tweede fase worden begrippen, relaties en structuren uitgebreid. De leerlingen leren begrippen, relaties en structuren toepassen op een complexere humane werkelijkheid en deze breder en grondiger wetenschappelijk onderbouwen. De verschijnselen uit de humane werkelijkheid wor≠den in een breder perspectief geplaatst, zowel in tijd als in ruimte. Relaties worden vaker gelegd vanuit overkoepelende theorieŽn en modellen. Prominent aanwezig zijn logische analyse van grondslagen, van vooronderstellingen en reflecterend beschouwen. Het innemen en verwoorden van standpunten vereist een doorgedreven analyse en het in acht nemen van een groter aantal parameters. De aandacht gaat sterk uit naar de wijze waarop in humane weten≠schappen kennis wordt opgebouwd en verspreid. De onderzoekscompetentie wordt verder ontwikkeld aan de hand van relatief open opdrachten.

2. Overzicht

A. Organisatie

De leerlingen kunnen

  1. organisatievormen zoals gezin, peergroep, sociale klasse en beroepsgroep omschrijven, in tijd en ruimte plaatsen en de functies ervan bespreken;
  2. aantonen dat het behoren tot een organisatievorm, het individuele gedrag en de maatschappelijke integratie beÔnvloedt;
  3. verschillende maatschappelijke velden beschrijven en de rol van organisatievormen binnen deze velden verbinden met historisch en cultureel bepaalde opvattingen over mens en maatschappij;
  4. de wisselwerking tussen verschillende maatschappelijke velden beschrijven met aandacht voor veranderingsprocessen.

B.  Interactie en communicatie

De leerlingen kunnen

  1. de interactie en de communicatie tussen personen, tussen groepen en tussen personen en groepen beschrijven en in concrete situaties analyseren;
  2. factoren herkennen die de communicatie en interactie tussen personen, tussen groepen en tussen personen en groepen beÔnvloeden en deze kennis aanwenden om de communicatie en interactie te verbeteren;
  3. soorten massacommunicatie beschrijven, hun functies toelichten en vanuit verschillende standpunten beoordelen;
  4. regulerende maatregelen ten aanzien van massacommunicatiemiddelen analyseren en hun wenselijkheid vanuit verschillende standpunten beoordelen.

C. Identiteit, continuÔteit en verandering

De leerlingen kunnen

  1. uitleggen hoe persoonlijke identiteit en groepsidentiteit tot stand komen en veranderen;
  2. aantonen dat de perceptie van persoonlijke identiteit en groepsidentiteit afhankelijk is van een aantal factoren en het persoonlijk en groepsgedrag beÔnvloedt;
  3. opvattingen over de mens en over de gelijkwaardigheid van mensen in historisch en cul≠tureel perspectief plaatsen en deze opvattingen met actuele wereld≠beelden verbinden;
  4. met voorbeelden toelichten hoe culturele identiteit ontstaat en evolueert.

D. Samenhang en wisselwerking

De leerlingen kunnen

  1. de sociale stratificatie en de evolutie ervan beschrijven en gevolgen ervan toelichten in termen van sociale mobiliteit, gelijke kansen, breuklijnen in de samenleving, actieve participatie en machtsstructuren;
  2. de spanning tussen individualisme en collectivisme in voorbeelden analyseren;
  3. de betekenis en de rol van verschillende dimensies van cultuur waaronder recht, wetenschap, techniek, economie, gezondheids- en milieuzorg, toelichten, in hun ontwikkeling schetsen, tegenover deze ontwikkelingen een standpunt innemen en illustreren dat deze verschillende dimensies elkaar soms versterken en soms met elkaar in conflict komen;
  4. vormen van solidariteit en hun effecten vergelijken en vanuit verschillende standpunten toelichten.

E. Expressie

De leerlingen kunnen

  1. opvattingen over het ontstaan en de functies van emoties vergelijken en de socio-culturele invloed op uitingen ervan aantonen;
  2. illustreren dat opvattingen over lichaam en lichamelijkheid de relatie tussen mensen beÔnvloeden en deze opvattingen in tijd en ruimte plaatsen;
  3. de rol en de maatschappelijke betekenis van artistieke uitingen voor de samenleving illustreren en analyseren;
  4. artistieke uitingen vanuit kunstkritische, historische en culturele invalshoek analyseren.

F.  Waarden en normen

De leerlingen kunnen

  1. de individuele waardeontwikkeling beschrijven en de invloed van socialiserende instanties op waardeontwikkeling en individuele waardebeleving uitleggen;
  2. effecten van gelijkenissen en verschillen in waardebeleving op de sociale cohesie analyseren;
  3. uitleggen hoe waarden in gemeenschappen ontstaan, worden overgedragen, veranderen en tot uitdrukking worden gebracht;
  4. waarden herkennen in eigen opvattingen en in die van anderen en hiertegenover een genuanceerd standpunt innemen.

G. Onderzoekscompetentie

De leerlingen kunnen

  1. zich oriŽnteren op een onderzoeksprobleem door gericht informatie te verzamelen, te ordenen en te bewerken;
  2. over een gedrags- of cultuurwetenschappelijk vraagstuk, een onderzoeksopdracht voorbereiden, uitvoeren en evalueren;
  3.  de onderzoeksresultaten en conclusies rapporteren en ze confronteren met andere standpunten.

[1] Advies over het studieprofiel voor de studierichting Humane Wetenschappen in de tweede en derde graad van het ASO, 18/6/1999.

naar boven

Laatst gewijzigd op:
05/05/2017