Curriculum - site van de Vlaamse overheid

Secundair onderwijs - Derde graad ASO - Moderne talen - Specifieke eindtermen

Uitgangspunten

De decretale specifieke eindtermen moderne talen hebben betrekking op kennis, inzichten, vaardigheden en attituden waarmee leerlingen

Inhoudelijk kader

De decretale specifieke eindtermen moderne talen ontlenen hun inhoud aan drie onderdelen met name

Het concept voor het talenonderwijs in de pool moderne talen is gebaseerd op de essentiŽle elementen van het wetenschapsdomein 'moderne talen'. Het poolconcept beoogt een algemene vorming met het oog op doorstroming naar het hoger onderwijs. Daarom komen, naast taalbeheersing, ook leerinhouden aan bod zoals taal en cultuur, taal als systeem (taalbeschouwing), taal en communicatie en onderzoekscompetenties.

Het Europese talenconcept zoals geformuleerd in het European Framework of Reference for Languages heeft enkel betrekking op taalbeheersing. De Raad van Europa bepaalde in het Europees referentiekader voor talen diverse niveaus van taalbeheersing. Het instrumentarium dat "Europa" ontwikkelde geeft echter niet de inhouden mee die doorstroming naar talenonderwijs in het hoger onderwijs garanderen. Het Europese instrumentarium m.b.t. taalbeheersing biedt wel de mogelijkheid om de competenties van leerlingen in te schatten o.a. met het oog op verdere taalverwerving. Het is dan ook eerder een instrument om verworven competenties m.b.t. taalbeheersing te screenen en verdere ontwikkelingsmogelijkheden in kaart te brengen. Dit concept ligt o.a. ten grondslag aan het Europese taalportfolio.

De pool moderne talen wordt aangeboden in de derde graad van het secundair onderwijs. De decretale specifieke eindtermen moderne talen worden gelezen in samenhang met de eindtermen van de basisvorming van de 3e graad. Moderne talen in het specifiek gedeelte beoogt een verbreding van de communicatieve vaardigheden uit de basisvorming en een verdieping van de reflectie op taal en communicatie, taal en cultuur en taal als systeem. Ook creatief omgaan met taal is een essentiŽle doelstelling van de pool moderne talen. De decretale specifieke eindtermen beogen een hoger beheersingsniveau dan verwante eindtermen van de basisvorming. Een en ander betekent dat de specifieke eindtermen worden bereikt door het geheel van de pool.

Overzicht

A. Taal en communicatie

De leerlingen kunnen

  1. domeinspecifieke teksten, zoals zakelijke en wetenschappelijke, structureren, verwerken en gepast presenteren in functie van de ontvanger;

  2. vanuit een communicatiemodel reflecteren op talige communicatie en die waar nodig bijsturen;

  3. vergelijken hoe in de eigen cultuur en in andere culturen informatie gebracht wordt bij interpersoonlijke, intergroeps- en massacommunicatie.

B. Taal en cultuur

De leerlingen kunnen

  1. stereotypen met betrekking tot eigen en andermans cultuur en cultuuruitingen herkennen en nuanceren.

  2. misverstanden in de interculturele communicatie die ontstaan door taalkundige of culturele verschillen herkennen en kunnen rechtzetten;

  3. cultuuruitingen verkennen die specifiek zijn voor de gebieden waar de doeltaal als omgangstaal gebruikt wordt;

  4. verkennen van cultuur door middel van visuele taal zoals film, toneel, dans, reclame, videoclips, beeldend werk, websites...

  5. elementen uit de literatuurgeschiedenis, zoals stromingen, aanwenden om teksten in hun historische, politieke en sociale context te plaatsen;

  6. gevoelens en leeservaringen op een creatieve manier vorm geven.

C. Taal als systeem

De leerlingen kunnen

  1. bij de studie van teksten grammaticale structuren en formele en inhoudelijke kenmerken van tekstsoorten herkennen en beschrijven;

  2. strategieŽn inzetten en passende hulpmiddelen hanteren om inzicht te verwerven in spellingsysteem, uitspraak, betekenis van woorden, zinsconstructies en de relatie klank-teken;

  3. strategieŽn inzetten om hun taalleerproces autonoom te evalueren, bij te sturen en verder te zetten;

  4. met voorbeelden aantonen dat de betekenis van een taaluiting afhankelijk is van de context;

  5. elementen van taalvariatie herkennen en illustreren;

  6. gelijkenissen en verschillen tussen talen herkennen.

D. Onderzoekscompetentie

De leerlingen kunnen

  1. zich oriŽnteren op een onderzoeksprobleem door gericht informatie te verzamelen, te ordenen en te bewerken;

  2. een onderzoeksopdracht voorbereiden, uitvoeren en evalueren over een literair en /of linguÔstisch vraagstuk;

  3. de onderzoeksresultaten en conclusies rapporteren en ze confronteren met andere standpunten.

naar boven

Laatst gewijzigd op:
05/05/2017