Curriculum - site van de Vlaamse overheid

Secundair onderwijs - Derde graad ASO - Sport - Specifieke eindtermen

De tweepolige richting Wetenschappen-Sport wordt omgeschakeld naar de ťťnpolige studierichting Sportwetenschappen. De eindtermen treden in werking voor de tweede graad vanaf het schooljaar 2014-2015 en 2016-2017 voor de derde graad.

Uitgangspunten

De decretale specifieke eindtermen sport hebben als vertrekpunt en eindpunt de sportbeoefening. Deze eindtermen beogen

Inhoudelijk kader

De decretale specifieke eindtermen zijn geordend volgens volgende onderdelen:

Uit de grote hoeveelheid aan bewegingskansen, individuele en interactieve activiteiten, die zowel indoor als outdoor kunnen beoefend worden, worden vormen van sport en beweging gekozen die binnen de context van de school de beste kansen geven om de specifieke eindtermen aan bod te laten komen.

We onderscheiden volgende takken van bewegingsgebieden:

Sport wordt aangeboden in de derde graad van het secundair onderwijs en bouwt verder op de eindtermen lichamelijke opvoeding uit de basisvorming. De bewegingsgebieden van lichamelijke opvoeding worden enerzijds uitgebreid en anderzijds voor een beperkt aantal uitgediept. De verdieping richt zich op de verfijning van bewegingsvaardigheden, op het inzichtelijk toepassen van strategieŽn en op het verbeteren van het individuele niveau. Ze slaat ook op achterliggende theoretische inzichten over bewegen, op meer systematische reflectie door analyse van bewegingsuitvoeringen, op sturingsmechanismen om bewegingsuitvoeringen te verbeteren en op theoretische aspecten van gezondheid en welzijn in relatie tot sportbeoefening. De rol van het zelfconcept en het sociaal functioneren bij sportprestaties en sportbeleving, wordt uitgediept.

De specifieke eindtermen streven naar een zinvolle en aangepaste integratie van theorie en praktijk.

Naast verdieping is er ook verbreding van de activiteiten. Nieuwe bewegingsgebieden die niet in de basisvorming worden aangeboden, kunnen worden geŽxploreerd.

De component Ďsamenlevingí is een bijkomende invalshoek van waaruit sport en beweging worden benaderd. In de component Ďsamenlevingí gaat het over de maatschappelijke betekenis van sport en bewegen, over maatschappelijke effecten van sport en over de manier waarop de bewegings- en sportcultuur zich manifesteert.

Overzicht

A. Motorische competentie: motoriek, fysiek, perceptie

De leerlingen kunnen

  1. conditionele, perceptuele, mentale, technische en tactische basisvaardigheden ontwikkelen om tot bewegings- uitvoering en bewegingsontwikkeling te komen;

  2. individueel en in groep bewegingen en acties uitvoeren met inzicht en vaardigheid;

  3. motorische vaardigheden en fysieke bekwaamheden op het gepaste moment inzetten om te komen tot goede bewegingsuitvoeringen of voor het bereiken van een bepaald spel- of bewegingsdoel;

  4. inzicht tonen in bewegingen en acties door:

  1. taakgericht werken en het belang ervan ervaren voor esthetisch-expressieve en / of sportefficiŽnte beweging in verschillende omstandigheden;

  2. bij bewegingsuitvoeringen, aandacht hebben voor de samenhang van kwalitatieve aspecten zoals ruimtegebruik, timing, houding, vormspanning, ritmisch verloop en bewegingsimpulsen.

B. Motorische competentie: leren en sturen

De leerlingen kunnen

  1. de bewegingsuitvoering bijsturen en optimaliseren bij zichzelf en anderen door:

  1. prioriteiten stellen en haalbare tactische, technische, mentale, conditionele en cognitieve doelen bepalen voor zichzelf en voor een groep.

C. Gezondheid en veiligheid

De leerlingen kunnen

  1. de invloed van bewegen op de fysieke, mentale, en sociale gezondheid duiden en vergelijken met andere factoren, die de gezondheid beÔnvloeden;

  2. evenwicht nastreven tussen sportprestaties, fysieke conditie en gezondheid, met een controle hiervan door de correcte interpretatie van meetresultaten;

  3. bij de eigen sportbeoefening, belangrijke principes toepassen van fitheid, veiligheid, blessurepreventie, voeding en middelengebruik.

D. Zelfconcept en sociaal functioneren

De leerlingen kunnen

  1. ervaren dat motivatie, bewegingsvreugde, betrokkenheid en positief zelfbeeld, belangrijke aspecten zijn bij sportbeoefening, sportbeleving en sportief presteren;

  2. verantwoorde methoden gebruiken om controle te behouden, stressgevoeligheid te verlagen en mentale weerbaarheid te verhogen;

  3. samenwerking en teamvorming realiseren tijdens sportbeoefening en bij sportprestaties;

  4. sociaal aanvaardbaar gedrag vertonen op vlak van fair play, loyaliteit, regelgeving, hiŽrarchie en bij het uiten van bedenkingen, opmerkingen en gevoelens;

  5. ervaren dat sportbeoefening bijdraagt tot sociale interacties.

E. Samenleving

De leerlingen kunnen

  1. ervaren, via eigen sportbeoefening en sportbeleving, dat sport verweven is met, en effecten heeft op andere maatschappelijke domeinen;

  2. zich informeren over organisaties en netwerken, die bijdragen tot het aanbod van sport- en bewegingssituaties voor verschillende doelgroepen.

E. Onderzoekscompetenties

De leerlingen kunnen

  1. zich oriŽnteren op een onderzoeksprobleem door gericht informatie te verzamelen, te ordenen en te bewerken;

  2. ter ondersteuning van de bewegingspraktijk een onderzoeksopdracht over sportthemaís voorbereiden, uitvoeren en evalueren;

  3. de onderzoeksresultaten en conclusies rapporteren en ze confronteren met andere standpunten.

naar boven

Laatst gewijzigd op:
05/05/2017